Vrijwel alle steden en dorpen in Nederland hebben een Kerkstraat. Maar Harfsen niet, Harfsen heeft een Kapelweg. En een Kapeldijk. Hun namen verwijzen naar de kapel die in de oude buurschap Harfsen stond. Bij de bevrijding in april 1945 zijn de meeste boerderijen van dat oude Harfsen in vlammen opgegaan. De ‘Harfsensche Kapel’ staat er dan al lang niet meer. In 1843 is ze afgedankt en in gebruik genomen als boerenschuur, in 1860 is ze helemaal afgebroken.
In zijn ‘Oud-Achterhoeksch boerenleven’ brengt meester Heuvel de buurschap weer even tot leven. ,,Eerst langs de oude huizen der dichtbevolkte, vruchtbaare buurt en dan door de Harfsensche steeg, die wonderen hollen weg met de groene wallen, gekroond door oude akkermansheggen. Hoog op den enk aan de rechterhand verheft zich de windmolen met zijn rieten dak en het vriendelijke muldershuis met kleurigen bloemenhof ernaast. Links, waar de beek stroomt, zijn mooie hofsteden in ’t geboomte verscholen. En zo kom je in het overoude gehucht, dat verstrooid lag om die verdwenen kapel. (…) Schilderachtig moet ze geweest zijn met haar groenverweerde ruitjes en haar muren, begroeid met mos, klimop en brandnetels.”
De Sint Antonius Kapel, zoals ze wordt genoemd als ze vermoedelijk in de veertiende eeuw wordt ingewijd, valt onder de Marke Harfsen. De markegenoten houden er (tot 1813) vergaderingen en ze benoemen de dienstdoende priester. Bij de Reformatie verdwijnt het altaar uit de kapel, en gaan er ook geen priesters meer voor. Uit een document uit 1664 blijkt dat er nog slechts een keer per jaar wordt gepreekt, op de laatste zondag van september. Dat is weekeinde van de Harfsense Kermis, inclusief vogelschieten en boerenvrijage, zoals meester Heuvel beschrijft. ,,Achter de gelederen der schutters komen die der mooi uitgedoste jonge meisjes, vier aan vier gearmd en dan de andere kermisgasten. De kapitein kommandeert: ‘Om de mestvaalt rechtsom, voorwaarts marsch!” En: ,,Nu zitten de oudelui nog een poosje bij Kapelleman, waar in de keuken en kamer getapt wordt.”
In 1843 besluiten de markegenoten de kapel over te dragen aan de kerkvoogdij van de Almense kerk. Zestien jaar later, in november 1859, vragen de kerkvoogden en notabelen koninklijke toestemming om de kapel, dan gedegradeerd tot schuur, te mogen afbreken. Die goedkeuring komt in februari 1860. Voorwaarde is wel dat met het afbreken niet wordt begonnen voordat de ‘Minister voor den Hervormden Eredienst’ een plattegrond en een afbeelding van het gebouw in handen krijgt. Die kan hij dan doorsturen naar de Synode ‘voor hare verzameling’.

Zo verdwijnt de Harfsensche Kapel in het archief. Hout en stenen worden gebruikt voor reparatie van de pastorie en kosterij in Almen. De eiken balk van de schouw in een boerderij in de omgeving komt ook uit de kapel.
Opvallend genoeg wordt nog in 1867 in de krant de veiling van een katerstede aangekondigd in de Harfsensche kapel. En in 1919 besluit het hoofdbestuur der Posterijen tot de plaatsing van een brievenbus ‘bij de voormalige Harfsensche Kapel’. De kapel blijft voortbestaan in de collectieve herinnering. Misschien staat hij er nog wel steeds, aan de rand van een lege akker, maar kunnen alleen de luu van vroeger hem zien. Voor anderen staat er een informatiebord.